Posted in Beleggen on Sep 20th, 2007 by Sparen Advies
Een belegging is een vorm van investering waarbij geld wordt vastgelegd voor langere of kortere tijd met als doel om in de toekomst te kunnen beschikken over een grotere som.
Beleggers zijn we allemaal direct of indirect. Al maakt men veelal een onderscheid tussen sparen en beleggen, in feite hebben we het over vrijwel hetzelfde: we zetten geld uit tegen een vergoeding en lopen daarbij risico.
Zelfs bij een spaarrekening waarvan u zeker weet dat u altijd minimaal het ingelegde geld zult terugkrijgen loopt u risico’s, zoals inflatierisico (is mijn geld nog wel net zoveel waard als toen ik het inlegde, of is de ontvangen rente lager dan de inflatie?) of debiteurenrisico (gaat die bankier straks failliet?). Toegegeven: het zijn niet de grootste risico’s, maar ze zijn er wel. Ook als we even niet denken aan sparen blijkt dat we allemaal, in ieder geval indirect, beleggen.
Iedereen die bijdraagt aan een pensioenfonds of een pensioenverzekeraar zet daarmee gelden uit in obligaties en aandelen, soms zelfs in combinatie met afgeleide producten als opties.
We onderscheiden een aantal soorten beleggers. Ten eerste natuurlijk de particuliere belegger die aan het eind van de maand al dan niet structureel geld over heeft en besluit dit te investeren in een fonds. Dat kan een beursgenoteerd fonds zijn, maar ook een participatie in een huisfonds van een van de bekende banken.
Naast particuliere beleggers zijn ook institutionele beleggers actief op de financiële markten: dit zijn instellingen die vermogens beheren waar anderen op enigerlei wijze toe gerechtigd zijn. De bekendste typen zijn pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen. Zij hebben financiële verplichtingen jegens hun deelnemers respectievelijk polishouders. Uit het rendement op de hen toevertrouwde middelen (premies) moeten die voldaan kunnen worden.
Institutionele beleggers hebben vaak zeer grote bedragen te beleggen. (De Nederlandse pensioenfondsen hadden ultimo 2003 EUR 485 miljard aan beleggingen, volgens het CBS.)
Voorts zijn ook (grote) ondernemingen regelmatig actief op de geld- of kapitaalmarkt, bijvoorbeeld bij het uitzetten van tijdelijk niet benodigde liquide middelen, of het aantrekken van middelen bij tijdelijke liquiditeitstekorten.
Bron van (delen van) dit artikel is Wikipedia.
Rente of int(e)rest is een vergoeding die iemand ontvangt voor het uitlenen van zijn of haar geld. Een bekende vorm is de rente die consumenten ontvangen of betalen op een rekening bij een bank.
De hoogte van de rente heeft direct invloed op de economie van een land. Is de rente hoog, dan zullen bedrijven minder geld lenen om te investeren. Is de rente laag, dan wordt het voor bedrijven makkelijker om te investeren. Door een renteverlaging wordt de economie dus gestimuleerd. Vaak ziet men dat spaarders dan gaan beleggen. Ook de woningmarkt ondergaat de invloed van de rentevoet. Naarmate de rente lager is, zal de (aspirant-)huizenkoper immers gemakkelijker een hypotheek kunnen afsluiten, of zich een hogere hypotheek kunnen veroorloven.
Reële rente
In tijden van hoge inflatie zal ook de rente hoger zijn dan anders. Dat betekent onder meer dat een kapitaalverstrekker het uitgezette kapitaal ziet aangroeien (door de rente) maar het tegelijk ziet krimpen (door de geldontwaarding). Om te kunnen bepalen wat per saldo het effect is, hanteert men het begrip “reële rente”: het rentepercentage waarvan het inflatiepercentage is afgetrokken.
nominale rente -/- inflatie = reële rente
Stel dat de nominale rente 7% per jaar bedraagt en de jaarlijkse inflate 2%: de reële rente komt dan uit op (ongeveer) 5%. Dit is echter een vuistregel.
Het extra geld dat de rente oplevert, is door inflatie ook in waarde verminderd. Dat betekent dat de reële rente lager is dan nominale rente minus inflatie.
De exacte berekening van de reële rente verloopt als volgt. De reële rente, de nominale rente en de (verwachte) jaarlijkse inflatie worden achtereenvolgens aangeduid met rr, nr en i. De waarden van deze drie grootheden worden uitgedrukt in een percentage. Er bestaat nu het volgende verband:
( 1 + nr ) = ( 1 + rr ) * ( 1 + i )
Stel dat de nominale rente 7% per jaar bedraagt en de jaarlijkse inflate 2%. Dan geldt de volgende berekening:
(1 + 0,07) = (1 + rr) * (1 + 0,02)
(1 + 0,07) / (1 + 0,02) = (1 + rr)
(1 + rr) = 1,07 / 1,02 = 1,04902
rr = 0,04902
De reële rente is dus 0,04902, oftewel 4,902%.
Samengestelde rente
Er bestaat een anekdote over Albert Einstein, die op de vraag of hij een achtste wereldwonder kon noemen, zou hebben geantwoord: “Ja, de samengestelde intrest.” Dit verschijnsel, ook wel rente-op-rente genoemd, houdt in dat over de rente die op een kapitaal wordt gekweekt, maar die niet wordt opgenomen, ook weer rente wordt betaald. Daardoor groeit het kapitaal niet lineair, maar volgens een steeds stijgende curve (licht exponentieel).
Een hulpmiddel om het effect van de samengestelde intrest te berekenen, is de 72-regel, die aangeeft hoe lang het (bij benadering) duurt voordat een bedrag verdubbelt:
rentepercentage * jaren = (ongeveer) 72
Als de rente 4% bedraagt, duurt het ongeveer 18 jaar voordat een bedrag vertweevoudigd is; bij 6% zijn hiervoor circa 12 jaren nodig. Enkelvoudige intrest wordt daarentegen alleen over het oorspronkelijke kapitaal berekend.
Bron van (delen van) dit artikel is Wikipedia.
Rendement is een centraal begrip binnen de beleggingswereld: wat heeft het belegde vermogen nu opgebracht? Er is een investering, een belegging geweest; op een later meetmoment heeft dat een andere waarde, hopelijk een hogere dan aan het begin. Maar hoeveel heeft het nu exact opgebracht? Het blijkt opvallend moeilijk te zijn om tot een éénduidige methode van rendementsberekening te komen.
Indien men op 1 januari begint met € 1000,-, en op 1 januari daaropvolgend € 1050,- bezit, is het rendement 5%: (1050 / 1000) – 1 = 1,05 – 1 = 0,05. Echter, dit veronderstelt een gelijkmatige toename van de waarde van het vermogen over die periode, zonder dat er sprake is geweest van tussentijdse toevoegingen of onttrekkingen aan dat vermogen.
Problemen ontstaan bijvoorbeeld indien er wel sprake is van tussentijdse mutaties, en indien sprake is van sterk wisselende rendementen in opeenvolgende perioden. Stel dat er over het eerste jaar een rendement is behaald van 50%, doordat € 1000,- is aangegroeid tot € 1500,-, en over het tweede jaar een rendement is behaald van -50%, zodat het vermogen is gedaald van € 1500,- tot € 750,-, is het dan juist om te zeggen dat het rendement over die twee jaar 0% bedraagt, te weten de som van +50% en -50%? Weinig opdrachtgevers zullen deze stelling onderschrijven: zij constateren immers dat hun vermogen is afgenomen van € 1000,- tot € 750,-.
De correcte benadering zou hier zijn: 1,50 * 0,50 – 1 = 0,75 – 1, ofwel een rendement van -25%. Dit staat bekend als de geometric rate of return. Deze methode kan tevens gebruikt worden om het rendement over een langere periode terug te brengen tot een gemiddeld rendement over een kortere periode. Indien € 1000,- na 4 jaar is aangegroeid tot € 1250,-, is de geometric rate of return te berekenen als (1,251/4 – 1) * 100 = (1,0574 – 1) * 100 = 5,74% per jaar. Op dezelfde wijze kan een rendement over een kortere periode dan één jaar worden geëxtrapoleerd naar een rendement op jaarbasis.
Deze methode biedt echter geen oplossing voor de situatie waarbij tussentijds onttrekkingen of toevoegingen plaats vinden. Indien in het hierboven genoemde voorbeeld de opdrachtgever, bijvoorbeeld op basis van hoge rendement over het eerste jaar, besluit om extra vermogen toe te vertrouwen, dan zal de afname van dat vermogen in het tweede jaar versterkt doorwerken in het totale rendement. De beslissing om tot die extra belegging over te gaan, is echter in beginsel een beslissing van de opdrachtgever. Het is daarom gebruikelijk om in rapportages te abstraheren van die toevoegingen en onttrekkingen, en het rendement te rapporteren alsof die niet hadden plaatsgevonden.
In veel gevallen worden in het vermogensbeheer rendementen gemeten en gerapporteerd op maandelijkse of driemaandelijkse basis, en worden rendementen over langere perioden op de hierboven beschreven wijze ’samengesteld’.
De exacte bepaling van het rendement pleegt op een groot aantal operationele problemen te stuiten, vaak voortvloeiend uit de omstandigheid dat inkomsten en uitgaven op verschillende tijdstippen in een beschouwde periode plaatsvinden, of uit problemen rond het aan perioden of tijdstippen moeten ‘toewijzen’ van inkomsten en uitgaven.
Een zo nauwkeurig mogelijke bepaling van het rendement is echter van groot belang voor de beantwoording van de vraag of de vermogensbeheerder het beter of slechter gedaan heeft dan zijn benchmark. In die bedrijfstak worden rendementen bepaald tot op twee cijfers achter de komma, dus 0,01%. Die eenheid wordt aangeduid als ‘basispunt’.
Bron van (delen van) dit artikel is Wikipedia.
In ruil voor minder flexibiliteit kan een spaarder aanspraak maken op een hogere rente. In de praktijk kennen veel van deze rekeningen een minimuminleg en opnamebeperkingen. De minimuminleg varieert per rekening en loopt uiteen van EUR 2.000 tot EUR 10.000. Ook de opnamebeperkingen laten dergelijke verschillen zien: deze variëren eveneens van EUR 2.000 tot EUR 10.000 per maand. Dit zijn de bedragen die op ieder gewenst moment vrij kunnen worden opgenomen. Voor hogere bedragen gelden vaak andere regels. In veel gevallen geldt dat een dergelijke opname 1 tot 3 maanden van tevoren aangekondigd dient te worden. Wordt deze aankondigingstermijn niet in acht genomen, dan worden er kosten in rekening gebracht (vaak 1%) over de opname van het geld. Bij sommige aanbieders staat het volledige tegoed ter beschikking bij bijzondere gebeurtenissen als een huwelijk of een verhuizing. In die gevallen hoeft er geen boete te worden betaald. Bij overlijden van de spaarder worden over het algemeen alle beperkingen gedurende een jaar opgeheven. De rente wordt ook bij dit type spaarrekeningen jaarlijks bijgeschreven en is in veel gevallen (een stukje) hoger dan bij de dagelijks opvraagbare spaarrekening.
De meeste banken kennen speciale jeugdspaarvormen. Belangrijkste motief voor de banken om dergelijke spaarvormen aan te houden is om zo vroeg mogelijk een relatie met de klant aan te gaan. Hierbij wordt een kind bekend gemaakt met het fenomeen geld. In tegenstelling tot veel andere bankproducten wordt er een actief marketingbeleid gevoerd op het gebied van jeugdsparen. Veelal worden cadeautjes weggegeven als er een rekening wordt geopend en vaak wordt er een bonus toegekend als er bijvoorbeeld een jaar trouw is gespaard. Er zijn verschillende vormen van jeugdsparen: sparen vóór het kind, sparen door het kind en de gecombineerde spaar/betaalrekening.
Sparen vóór het kind
Het gaat hierbij om spaarrekeningen die zijn ontwikkeld voor (groot)ouders die graag voor het kind regelmatig een bedrag willen overmaken. Het kind neemt hier dus niet zelf actief deel aan het sparen. Wel moet de rekening op naam van het kind staan in verband met anders eventueel verschuldigd schenkingsrecht. Sommige banken hanteren een premiesysteem, waarbij de trouwe spaarder wordt beloond met een rentebonus.
Sparen door het kind
De meeste banken hebben voor kinderen tussen de 7 en 15 jaar gecombineerde spaar- en betaalrekeningen ontwikkeld. De rekeningen hebben vaak de faciliteiten van een ‘volwassen’ betaalrekening, compleet met Pinpas, Chipper en Chipknip. Het verschil met de volwassen variant is dat de kinderen een hogere rente ontvangen over het positieve saldo. De rekening staat op naam van het kind, zodat het kind ook zelf het bewind over de rekening kan voeren. Hiervoor moeten de ouders echter wel schriftelijk toestemming geven.
Gecombineerde spaar/betaalrekening
Hiernaast is er de mogelijkheid van een gecombineerde spaar/betaalrekening.
Posted in Bank on Sep 20th, 2007 by Sparen Advies
Geld is primair een breed geaccepteerd ruilmiddel. Het wordt gebruikt geruild te worden voor goederen of diensten. Een tweede functie van geld is het gebruik als rekenmiddel; zo kan men gemakkelijk de waarde van twee producten vergelijken. Ten derde kan het gebruikt als een spaarmiddel, het kan namelijk onbeperkt bewaard worden in tegenstelling tot sommige goederen zoals voedsel of vee.
Algemene geschiedenis van geld
Geld is er niet altijd geweest. Heel vroeger deden de mensen aan ruilhandel, bijvoorbeeld: een pot voor twee kippen. Als je aan ruilhandel doet, kun je niet sparen. Maar in feite is geld dus niets meer dan een breed geaccepteerd ruilmiddel.
Er waren goederen die iedereen wilde hebben en die niet gauw bedierven, bijvoorbeeld: vee, gedroogde vis en schelpen. Hier betaalde men mee. Zo ontstond het goederengeld.
In de Middeleeuwen werden munten stuk voor stuk geknipt, waarna er een stempel in werd geslagen. In die tijd werden munten op veel plaatsen gemaakt. Maar ze waren niet allemaal van dezelde kwaliteit. De geldwisselaars keken of de munten wel echt waren. Ze lieten ze klinken en wogen ze op weegschaaltjes. De goede munten werden klinkende munten genoemd (vandaar de uitdrukking: met klinkende munt betalen). De geldwisselaars waren de eerste bankiers.
Munten werden gemaakt van goud, zilver of koper. Een klein stukje goud is al heel veel waard. Maar er was niet genoeg goud. Verder hebben gouden en zilveren munten een paar nadelen:
ze zijn zwaar;
sommige mensen waren niet eerlijk, die knipten stukjes goud van de munten af, en dan waren de munten minder waard dan er op stond. Op valsmunterij stond vroeger de doodstraf;
soms overvielen rovers een koopman. Daarom kon de koopman beter zijn geld bij een bank brengen. In ruil daarvoor gaf de bankier een ondertekend papier, dit heet een wissel. Met de wissel kon de koopman iets kopen. Hij betaalde met de wissel. De verkoper kon bij de bankier weer munten krijgen voor de wissel. De wissel is de voorloper van het bankbiljet.
Tegenwoordig worden munten gemaakt van goedkoper metaal: mengsels van bijvoorbeeld nikkel en koper. Bankbiljetten moeten niet of althans erg moeilijk na te maken zijn. Daarom wordt er speciaal papier voor gebruikt. Als je het biljet tegen het licht houdt zie je een figuur: het watermerk. Het heeft verschillende kleuren. Hoe het gemaakt wordt, blijft geheim. Als het bankbiljet vies of gescheurd is, of als erop geschreven is kun je deze bij de bank inwisselen tegen een nieuwe, het oude wordt vernietigd.
Elk land heeft zijn eigen serie bankbiljetten. Die kunnen worden ingewisseld tegen geld van een ander land. Per dag stellen de banken de wisselkoers vast. Dat is de waarde van het geld ten opzichte van het geld van een ander land. Er wordt dan bijvoorbeeld gekeken hoeveel de Amerikaanse dollar op die dag waard is in vergelijking tot de Euro.
Soorten geld
Naast bankbiljetten en munten (ook wel chartaal geld genoemd), bestaat er elektronisch geld, ook wel giraal geld genoemd. Zoals een kaart met een chip die met een bepaalde waarde opgeladen kan worden. Met een dergelijke kaart kan men een betaling uitvoeren zonder dat het betaaltoestel verbonden moet zijn met een computernetwerk. In België is er een dergelijke kaart met de naam “proton” in gebruik. In Nederland onder de naam “chipknip”. Ander giraal geld is het niet-tastbare geld zoals op kasbonnen, obligaties, spaarrekeningen en zichtrekening. Kinderen en personen die niet zo goed met geld kunnen omgaan krijgen zakgeld.
De rol van geld
Economen zijn het er tegenwoordig over eens dat geld een belangrijke rol speelt in het economisch systeem. De geldhoeveelheid beïnvloedt de conjunctuur. Zou er bijvoorbeeld te veel geld zijn dan zouden consumenten meer gaan besteden dan er geproduceerd kan worden. De prijzen stijgen, er treedt inflatie op, en de economie raakt overhit. Het tegenovergestelde is ook mogelijk, als er bijvoorbeeld te weinig geld is, kunnen consumenten te weinig kopen en zal de werkloosheid toenemen. Het beleid van de centrale bank om dit tegen te gaan wordt geldpolitiek of monetair beleid genoemd. Dit beleid wordt onder andere tot uitvoer gebracht door het wijzigen van de rente.
Bron van (delen van) dit artikel is Wikipedia.
De rekeningvariant waarbij kinderen tussen de 7 en de 15 jaar kunnen oefenen met een combinatie van sparen en betalen van geld, kan vaak worden omgezet in een ‘echte’ betaalrekening. Hier verschuift de nadruk dus van sparen naar de andere bankactiviteiten, hoewel er ook vaak nog een spaarfaciliteit aanwezig is.
Het flexibel deposito biedt de mogelijkheid om bedragen op te nemen of bij te storten. In ruil voor de flexibiliteit vindt er een soort rentekorting plaats. Als een bedrag van EUR 10.000 of meer gedurende een langere tijd op de rekening staat geldt een hoger rentetarief dan wanneer er een fractie van dit bedrag op de rekening staat.
Deposito rekeningen zijn vergelijkbaar met de vaste termijn spaarrekeningen, maar kennen twee belangrijke verschillen: bijstorten is niet mogelijk en de minimuminleg is hoger. Ook hier is een hogere rente mogelijk in ruil voor een vaste looptijd. De looptijd kan variëren van 1 maand tot 24 maanden, al zijn er ook deposito’s met langere looptijden. De rente voor deposito’s wordt dagelijks vastgesteld op basis van de ontwikkelingen op de financiële markten. Wel is het zo dat als een deposito wordt aangegaan de rente op het moment van storten geldt voor de gehele looptijd. In principe is er op een deposito geen bijstorting of opname mogelijk. Er zijn echter varianten ontwikkeld die deze mogelijkheden wel hebben: het flexibel deposito en het bestemmingsdeposito.
De dagelijks opvraagbare spaarrekening is de meest flexibele spaarvorm. De spaarder is volledig vrij in het inleggen en weer opnemen van geld. Aan het inleggen en opnemen van geld zijn geen kosten verbonden en in de meeste gevallen kan dit zowel contant als giraal geschieden. De rente wordt meestal één keer per jaar bijgeschreven en is relatief laag. De rente op de dagelijks opvraagbare spaarrekening is variabel. Deze kan dus fluctueren en daarmee heeft de spaarder geen gegarandeerde opbrengst. Ook hier liggen de rentes van sparen via internet meestal net wat hoger dan bij de traditionele spaarrekeningen.
« Previous Page — Next Page »
|